Hoe is deze staatscommissie tot stand gekomen?

Al in 2013 zijn de eerste pleidooien te horen voor de instelling van een staatscommissie. Sinds 2012 bevindt Nederland zich in de bijzondere situatie dat het kabinet wel steunt op een meerderheid in de Tweede Kamer, maar niet op een meerderheid in de Eerste Kamer. Gelet op de toegenomen beweeglijkheid (volatiliteit) van de kiezers valt te verwachten dat dit geen incident zal zijn.

De discussie spitst zich toe op de positie van de Eerste Kamer, een onderwerp dat regelmatig opduikt in discussies over staatsrechtelijke vernieuwing. In het debat in de Eerste Kamer over de Algemeen Politieke beschouwingen 2014 zegt de minister-president de Eerste Kamer toe dat het kabinet de instelling van een staatscommissie zou faciliteren als de Kamers om de instelling van een dergelijke commissie zouden vragen. Maar op dat moment was nog niet iedereen van de wenselijkheid van de instelling van een staatscommissie overtuigd.

In een debat, begin 2016 heeft de Eerste Kamer nog een aantal overwegingen toegevoegd die een bezinning op het parlementaire stelsel  als geheel rechtvaardigen. De bezinning moest breder zijn dan alleen de verhouding tussen de Eerste en de Tweede Kamer. Dat is in een motie Duthler vastgelegd, en vervolgens is de Tweede Kamer om haar oordeel gevraagd. Toen die zich in meerderheid achter deze overwegingen stelde, hebben de beide Kamervoorzitters een brief gestuurd naar de minister-president, waarin zij hem op zijn toezegging wezen. Vervolgens is de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties belast met de uitvoering van deze toezegging.

De staatscommissie is bij Koninklijk Besluit van 1 februari 2017 ingesteld.